Characterisation and optimisation of foams for varicose vein sclerotherapy

In deze studie worden de eigenschappen van schuimen voor sclerotherapie van spataderen gekarakteriseerd en geoptimaliseerd door middel van modellering, waarbij wordt vastgesteld dat de meest effectieve schuimen een Bingham-getal van 600 hebben en een smalle belgrootteverdeling vertonen.

Tirion G. Roberts, Simon J. Cox, Andrew L. Lewis, Stephen A. Jones

Gepubliceerd 2026-03-11
📖 4 min leestijd☕ Koffiepauze-leesvoer

Each language version is independently generated for its own context, not a direct translation.

De Kunst van het Schuim: Hoe een Perfecte Zeepbel de Aders Redt

Stel je voor dat je een verstopte afvoer hebt. Je wilt die niet gewoon doorspoelen met water, want dan mengt het vuil zich met het water en blijft het ergens anders hangen. Nee, je wilt een stevige, dichte massa die als een zuiger door de pijp schuift, het vuil er volledig uit duwt en de pijp daarna schoon achterlaat.

Dat is precies wat artsen doen bij de behandeling van spataderen, maar dan met een heel speciaal soort schuim. Dit artikel van Roberts en collega's vertelt ons hoe ze dat schuim "optimaliseren" zodat het zijn werk perfect doet.

Hier is de uitleg, vertaald naar alledaags taal:

1. Het Probleem: Waarom gewoon water niet werkt

Bij spataderen moet een arts een vloeibare stof (een "sclerosant") in de ader spuiten. Deze stof moet de wand van de ader beschadigen zodat de ader dichtgroeit en verdwijnt.

  • Het probleem: Als je gewoon vloeistof inspuit, mengt deze zich met het bloed. Het wordt verdund en werkt niet goed.
  • De oplossing: Je gebruikt schuim. Schuim bestaat uit kleine luchtbelletjes in een vloeistof. Dit schuim gedraagt zich niet als water, maar meer als een zachte, maar stevige pasta (zoals tandpasta of zachte boter).

2. De "Zuiger"-Werking (De Plug)

Het geheim van het schuim zit in zijn vloeistofweerstand (in vakjargon: yield stress).

  • Bij de wanden: Waar het schuim de wand van de ader raakt, is er wrijving. Hier wordt het schuim "zacht" en vloeibaar, zodat het de wand kan bedekken met de genezende stof.
  • In het midden: In het midden van de ader is er geen wrijving. Hier blijft het schuim stijf en hard. Het vormt een stijve plug (een prop).
  • Het effect: Deze stijve plug duwt het bloed voor zich uit, zonder dat het mengt. Het is alsof je een dichte kurk door een fles duwt; de kurk duwt alles voor zich uit, maar mengt niet.

3. Wat maakt een schuim goed of slecht?

De auteurs ontdekten dat niet elk schuim even goed werkt. Twee dingen zijn cruciaal:

A. De hoeveelheid vloeistof (Het natte vs. droge schuim)

  • Te nat: Als het schuim te veel water bevat (zoals een schuimend bad), is het te slap. Het mengt zich met het bloed en drijft erbovenop in plaats van het weg te duwen.
  • Te droog: Als het schuim te droog is, zijn de belletjes te groot en te stijf. Dan kan de arts het niet eens uit de spuit duwen, of de belletjes zijn zo groot dat ze niet in de kleine ader passen.
  • Het gouden midden: Je wilt een schuim dat net stevig genoeg is om als een zuiger te werken, maar niet te zwaar om te duwen.

B. De grootte van de belletjes (De "Sauter-middellijn")
Dit is het meest interessante deel van het verhaal. Stel je voor dat je een schuim hebt met 99 kleine belletjes en 1 gigantische bel.

  • De gemiddelde grootte lijkt klein, maar die ene grote bel verandert alles.
  • De auteurs gebruiken een slimme rekenmethode (de Sauter-middellijn) die rekening houdt met die grote belletjes. Ze ontdekten dat grote belletjes het schuim veel zwakker maken.
  • De les: Een schuim met allemaal even grote, kleine belletjes werkt veel beter dan een schuim met een mix van kleine en grote belletjes. Grote belletjes zijn als "zwakke schakels" in je keten.

4. De "Bingham-Getal": De Score voor Perfectie

De wetenschappers hebben een soort score bedacht, het Bingham-getal. Denk hierbij aan een cijfer voor een sporter.

  • Een te laag cijfer: Het schuim is te slap (mengt met bloed).
  • Een te hoog cijfer: Het schuim is te stijf (kan niet inspuiten).
  • De ideale score: Voor een ader van 2 mm breed (een gemiddelde spatader) is de perfecte score ongeveer 600.

5. Wat betekent dit voor de praktijk?

De studie vergelijkt verschillende manieren om schuim te maken:

  • De "Tessari-methode" (vaak gebruikt door artsen): Dit maakt schuim met een mix van kleine en grote belletjes. Het resultaat? Een te zwak schuim dat niet goed werkt.
  • De "PEM-methode" (een speciaal medisch apparaat): Dit maakt schuim met heel kleine, gelijkmatige belletjes. Het resultaat? Een sterke, effectieve "zuiger" die het bloed perfect wegdrukt.

Conclusie in één zin

Om spataderen succesvol te behandelen, moet je geen willekeurig schuim gebruiken, maar een perfect gebalanceerd schuim met gelijkmatige, kleine belletjes, zodat het zich gedraagt als een stevige kurk die het bloed uit de ader duwt zonder te mengen.

De artsen moeten dus niet alleen kijken naar wat ze spuiten, maar vooral naar hoe ze het schuim maken, zodat het de juiste "zuiger-kracht" heeft.