← Nieuwste papers
📄 agriculture

Management challenges of the feral reindeer (Rangifer tarandus) in Iceland: Historical lessons, evolving policy objectives, and current options for strategic planning.

Deze studie analyseert de historische evolutie en de huidige bestuurlijke uitdagingen van de wilde rendieren in IJsland aan de hand van institutionele theorie en stakeholderinterviews, waarbij conflicterende prioriteiten en institutionele gebreken worden onthuld die een nieuwe, uitgebreide beheersstrategie noodzakelijk maken om ecologische, economische en sociale duurzaamheid in evenwicht te brengen.

Oorspronkelijke auteurs: Jorden Knubben, David Cook, Jon Geir Petursson

Gepubliceerd 2026-09-01
📖 7 min leestijd🧠 Diepgaand

Oorspronkelijke auteurs: Jorden Knubben, David Cook, Jon Geir Petursson

Oorspronkelijk artikel gelicentieerd onder CC BY 4.0 (https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/). Dit is een AI-gegenereerde uitleg van het onderstaande artikel. Het is niet geschreven of goedgekeurd door de auteurs. Raadpleeg het oorspronkelijke artikel voor technische nauwkeurigheid. Lees de volledige disclaimer

In de hoge, door de wind geteisterde bergen van IJsland speelt zich een uniek ecologisch verhaal af. De eilandnatie bezit een zeer schaarse collectie grote landdieren. Het enige inheemse zoogdier is de poolvos, een klein wezentje dat aangepast is aan de kou. Alle andere grote zoogdieren op het eiland zijn bezoekers, door mensen meegebracht. Onder deze bezoekers staat het rendier er alleen voor als het enige grote hoefdier, of ongeulato, dat het landschap doorselt. Deze dieren zijn niet inheems op IJsland; ze werden meer dan twee eeuwen geleden daarheen gebracht in een gedurfde poging om een nieuw soort landbouw te starten. Toen dat landbouwplan mislukte, verdwenen de dieren niet. In plaats daarvan pasten ze zich aan, vermenigvuldigden ze zich en werden ze wild. Vandaag de dag bestaan ze als een ferale kudde, een zelfvoorzienende populatie die in het oostelijke deel van het land leeft. Het beheren van hen is een complexe puzzel voor de overheid. De uitdaging ligt in het balanceren van de behoeften van het land, de lokale gemeenschappen die al generaties lang naast de dieren leven, en de jagers die van over het hele land reizen om hen te zien. De kernvraag is hoe je een soort bestuurt die technisch gezien vreemd is, maar diep verweven is geraakt met het culturele en economische weefsel van een specifieke regio, terwijl je er tegelijkertijd voor zorgt dat de kudde gezond blijft en het land niet beschadigd raakt.

Een recente studie door onderzoekers van de Universiteit van IJsland, geleid door Jorden Knubben, David Cook en Jon Geir Petursson, duikt diep in deze beheersgeschiedenis en de huidige situatie. Het team keek niet alleen naar de dieren; ze onderzochten de regels, de mensen en de beslissingen die het bestaan van het rendier de afgelopen 250 jaar hebben gevormd. Ze combineerden een beoordeling van oude wetten en historische verslagen met gesprekken met de mensen die de kudde het beste kennen: overheidsfunctionarissen, lokale gidsen, jagers, landeigenaren en onderzoekers. Hun doel was om te begrijpen hoe het land is overgegaan van het proberen te houden van deze dieren naar het beheren van hen als een wilde hulpbron, en om te ontdekken wat er hierna zou moeten gebeuren. De onderzoekers vonden dat het huidige systeem onder druk staat. Het wordt bij elkaar gehouden door een lappendeken van oude gewoonten en nieuwe regels, en het mist een enkel, duidelijk plan voor de toekomst.

Het verhaal van het IJslandse rendier begon aan het eind van de 1700s. Destijds kampte IJsland met armoede en voedseltekorten, verergerd door hard weer en vulkanische erupties die een groot deel van de lokale schapenpopulatie hadden vernietigd. Functionarissen uit Denemarken, dat IJsland toen regeerde, zochten naar een oplossing in Noorwegen. Ze wisten dat de Sami in Noord-Noorwegen succesvol rendieren hielden voor vlees en transport. De Deense regering besloot rendieren naar IJsland te brengen om te zien of de IJslandse boeren hetzelfde konden doen. Tussen 1771 en 1787 werden vier aparte groepen rendieren vanuit Noorwegen naar verschillende delen van IJsland verscheept. Het plan was om de lokale bevolking te leren hoe ze hen moesten houden. De IJslandse boeren beschikten echter niet over de specifieke kennis en tradities die vereist zijn voor dit type veeteelt. De poging om de rendieren tot veedieren te maken, mislukte snel. Zonder menselijke herders om hen in toom te houden, en zonder natuurlijke predatoren zoals wolven om hen te jagen, ontsnapten de dieren aan domesticatie. Ze verspreidden zich, vormden wilde kuddes en werden feraal.

Voor een korte tijd probeerde de overheid de nieuwe populatie te beschermen, in de hoop dat ze zouden groeien. Maar al snel begonnen lokale boeren te klagen. De rendieren aten dezelfde korstmossen en grassen die de schapen van de boeren nodig hadden. Het conflict leidde tot een verschuiving in het beleid. Het verbod op de jacht werd opgeheven, en gedurende bijna een eeuw werden de rendieren behandeld als een hulpbron om te oogsten. De jacht werd open en grotendeels ongereguleerd. Mensen jaagden op hen voor voedsel, en later, toen de sportjacht aan populariteit won, kwamen bezoekers van buitenaf om hen te schieten. Deze periode van vrije toegang was te veel voor de kudde. Tegen het einde van de 19e eeuw was de populatie ingestort. De enige overlevenden waren een kleine groep van ongeveer honderd dieren die zich in de afgelegen, hoge bergen in het noordoosten verborgen, ver weg van menselijke nederzettingen.

Toen ze beseften dat de kudde op de rand van verdwijning stond, sloeg de overheid opnieuw een andere koers in. In het begin van de 20e eeuw plaatsten zij de rendieren onder strikte bescherming. Decennialang was de jacht bijna volledig verboden, waardoor de kleine overlevende groep kon herstellen. Tegen de jaren 1940 was de kudde hersteld en gegroeid van honderd naar meer dan duizend dieren. Dit herstel bracht de oude conflicten terug. Naarmate de aantallen stegen, concurreerden de rendieren opnieuw met schapen om graasland. De overheid reageerde door in de jaren 1950 een nieuw systeem in te voeren waarmee gecontroleerde jacht mogelijk was. Ze stelden limieten aan hoeveel er gedood mocht worden en gaven het recht om te jagen aan lokale boeren. Dit systeem duurde veertig jaar en balanceerde tussen de noodzaak om de populatie te beheersen en de wens om vlees te leveren aan de lokale regio.

In 1994 nam IJsland een nieuwe, uitgebreide wet aan om al zijn wilde dieren te beheren. Deze wet plaatste het rendier onder een modern kader gericht op behoud en duurzaam gebruik. Het systeem dat vandaag de dag bestaat, is gebouwd op deze wet. De overheid stelt een jaarlijkse limiet, of quotum, vast voor hoeveel rendieren er gejaagd mag worden. Dit aantal is gebaseerd op wetenschappelijke tellingen van de kudde. Het recht om te jagen wordt niet meer aan specifieke boeren gegeven; in plaats daarvan is het open voor iedereen die een plek kan winnen via een loting. Omdat er veel meer mensen zijn die willen jagen dan er plaatsen beschikbaar zijn, gebruikt de overheid een willekeurige trekking om te beslissen wie een licentie krijgt. Elke jager moet een vergoeding aan de overheid betalen en moet vergezeld worden door een gecertificeerde gids. Het geld dat wordt geïnd uit deze vergoedingen wordt gebruikt om het onderzoek te betalen dat de dieren telt, de administratie van het systeem te bekostigen en compensatie te bieden aan landeigenaren voor eventuele schade die de rendieren of de jagers kunnen veroorzaken.

Ondanks dit gestructureerde systeem vonden de onderzoekers dat het beheer van het rendier tegen aanzienlijke spanningen aanloopt. Het meest directe probleem is het bereik van de kudde. Volgens de wet en traditie zijn de rendieren beperkt tot de oostelijke en noordoostelijke delen van het land. Deze grens werd oorspronkelijk vastgesteld om de rendieren weg te houden bij de tamme schapen, om de verspreiding van ziekten te voorkomen, en omdat dat de plek was waar de kudde haar laagste punt overleefde. Echter, de lijn is niet gebaseerd op een formele ecologische studie van waar de dieren zouden moeten leven. Het is een oude administratieve grens. De rendieren willen van nature bewegen. Ze kruisen af en toe andere delen van het land, maar de overheid heeft geen duidelijk beleid over of ze mogen blijven of teruggedreven moeten worden. Sommige mensen, vooral in het oosten, vinden dat de rendieren bij hun regio horen en een bron van lokale trots zijn. Ze maken zich zorgen dat het laten verspreiden van de kudde de culturele band met de dieren zal verwateren. Anderen argumenteren dat de rendieren nu een IJslandse soort zijn en dat ze de ruimte moeten krijgen om te rondtrekken waar het land geschikt is. Het gebrek aan een duidelijke beslissing over deze kwestie creëert onzekerheid voor alle betrokkenen.

Een ander groot wrijvingspunt is de relatie tussen de jagers en de landeigenaren. Het huidige systeem staat jagers toe om privéterrein te betreden om de rendieren te vinden, tenzij de landeigenaar specif

Verdrinkt u in papers in uw vakgebied?

Ontvang dagelijkse digests van de nieuwste papers die bij uw onderzoekswoorden passen — met technische samenvattingen, in uw taal.

Probeer Digest →